Aan het vouwen van overhemden ben ik nooit begonnen. Gewoon aan het droogrek ophangen en zo de kast in. Maar t-shirts en poloshirts moeten wel gevouwen worden. Had ik het volgende trucje maar eerder gezien!
Soms komen ze weer bovendrijven, de jaren vijftig.
Toen de telefoon nog in de gang hing. Een zwart
groot toestel met een doordringende bel. Binnen
stond de radio aan en daar kon je dus niet
doorheen praten.
Toen je echt een bekeuring kon krijgen als je
met z'n drieën naast elkaar fietste.
Toen iedereen zijn hand nog uitstak als hij de rechts- of linksaf sloeg.
Toen wij in de voortuin van de buren stiekem naar
binnen gluurden, want die hadden - als eersten in
de buurt - televisie.
Toen padvinderij nog padvinderij heette. Ergens
in die tijd veranderde ook de yell 'G-O-E-D
Z-O-O, goed zoo, goed zoo, goed zoo zoo!' omdat
er een nieuwe spelling kwam. Weg met die dubbele
o! Wij padvindsters moesten nu roepen: G-O-E-D
Z- één O, goed zo, goed zo, goed zo zo!'
Toen we de Tuney Tunes kochten en alle teksten daaruit uit ons hoofd leerden.
Toen we met de klas naar een speciale schoolfilm
gingen kijken, 'Green Pastures' geheten, met
discussie achteraf.
Toen naar de film gaan nog bijzonder was.
Toen Haarlem nog een provinciestad was. Waar
weinig te beleven viel, maar waar ik me toch niet
verveelde.
Toen achteraf bezien geluk inderdaad heel gewoon was.
Als ik mijn ogen dicht doe, kan ik schaatsen als de beste. Mijn motorisch geheugen laat me niet in de steek.
Ik ben over de zestig, ik ga het ijs niet meer op. Maar gelukkig weet ik nog hoe het voelt, zwieren over het ijs. Die herinnering raak je niet kwijt.
Schaatsen was voor mij rondjes rijden op de ondergelopen atletiekbaan in Haarlem-Noord. De muziek was steeds hetzelfde en vooral op de hit My Truly, Truly Fair van Guy Mitchell kon je zo lekker aanzetten. Nu nog kan ik bij die muziek dat gevoel oproepen. Ik had kunstschaatsen van het merk Nooitgedagt en daarop ging het draaien en achteruit verdergaan vanzelf. Pootje over kon ik ook, maar gek genoeg alleen rechtsom.
Natuurlijk hadden we allemaal het beeld van Sjoukje Dijkstra voor ogen, het ideaal van de jaren vijftig. Maar ik herinnerde me ook dat ze zo ontzettend hard kon schaatsen. Dat had ik eerder gezien, op de Haagse HOKIJ-kunstijsbaan waar zo nu en dan iedereen van de baan moest en alleen de zeer goeden een wedstrijdje mochten doen.
Bij de jongens won Jan Dijkstra, bij de meisjes Sjoukje. Vervolgens was er een wedstrijdje achteruitrijden. Sjoukje deed daar bij de jongens mee en eindigde als tweede, achter haar broer Jan.
Die ervaring van roekeloos achteruit rijden heb ik nooit gehad. Jammer. Nu ik alleen nog maar in gedachten kan schaatsen, zou ik dat graag nog eens doen.
Het aardige van goede voornemens is dat je er zo'n goed humeur van krijgt.
Met het oog op 1 januari train ik mijzelf alvast in goede voornemens. Ik heb op diverse websites gelezen dat een goed voornemen zowel haalbaar als meetbaar moet zijn.
Dus als ik eindelijk eens elke dag een frisse start wil maken 's ochtends, in plaats van zo nu en dan heel laat en dan weer heel vroeg op te staan, al naar gelang de wisselingen in mijn biologische ritme, dan moet ik mij dus niet voornemen elke avond voor 12 uur naar bed te gaan (niet haalbaar) of ten minste steeds op dezelfde tijd naar bed te gaan (niet meetbaar, want ik kijk 's nachts nooit op de wekker). Dit goede voornemen valt dus af.
Het is ook niet haalbaar elke dag met de ochtendgymnastiek van Nederland 1 te beginnen (niet leuk). Ik heb al diverse afleveringen op band staan, zodat ik ook om half 10 met armzwaaien kan beginnen, maar je moet er zin in hebben. Niet dus.
Het is dom, ik weet het. Toch stemt de gedachte dat het kán, me wel tevreden. Het is leuk je voor te stellen hoe een goede start je hele dag soepeltjes laat verlopen. Met voldoening vanwege het uitgeslapen gevoel doordat je inderdaad op tijd naar bed bent gegaan etcetera etcetera. Je krijgt er een geluksgevoel bij, bij die gedachte alleen al.
Goede voornemens maken gelukkig. Domweg gelukkig.
Trots op Nederland. Een trotse natie. Dat klinkt alsof je een prijs gewonnen hebt.
Soms denk ik: ja trots op Nederland zou ik wel willen zijn Dat is zo'n jaren zeventig gevoel waar ik nog wel eens heimwee naar heb. Links en toch leefbaar. Daar waren we trots op. Anderen zien meer iets in een VOC gevoel. Trots op onze geschiedenis, van zeevarend volkje tot ja wat? Volkje achter de Afsluitdijk. Weer anderen zijn gewoon trots, maar weten nog niet waarop. Rita is nog aan het denken.
Maar er is zo weinig om echt trots op te zijn. Meer om niet trots op te zijn. De onderwijsbureaucratie. Het afzien van de Zuiderzeelijn. Onze missie in Uruzgan. Waar een klein land groot in kan zijn, is verworden tot een luchtspiegeling.
Misschien moeten we het in de kleine dingen zoeken.
Zoals de Anne-Frankboom die wellicht behouden blijft.
Een prinses met een nuchtere kijk op Nederland.
De hausse aan makkelijke fietslampjes.
Echte lekkere hagelslag.
Maar nu glijden we misschien af naar de dingen die je humeur kunnen verbeteren. Geen dingen om trots óp, maar wel blij méé te zijn. De lichtpuntjes in de novembernacht, als het ware.
Wie weet er nog een paar?